|
.
aan een langzame klimtocht naar haar mooie, fijntjes
gepolijste gezicht. Even later strelen zijn vingertoppen
haar linkerwang. Fluweelzacht, slechts heel licht- jes
de huid rakend, alsof hij bang is haar poriën dicht te
wrijven. Haar mond- hoeken vertrekken bij dit
veelzeggende gebaar en plooien zich dan in een halve
glimlach, die een moerassige droefheid uitstraalt waarin
hij innerlijk wegzinkt. Zovele kleine
gezichtspiertjes proberen haar emoties te vertalen, doch
het is een taal die hem niet wijzer maakt. Of toch… Want
hij ziet ineens duidelijk in dat wat zich nu tussen hen
aan het voltrekken is, onomkeerbaar is. Zelfs de
almachtige goden kunnen niets aan de situatie
veranderen.
Het afscheid wordt een graf waarin ze
beiden hun - nog maar pas ontloken - gevoelens voor
elkaar moeten begraven.
Hij drinkt denkbeeldig van zijn ingehouden tranen, proeft de
zilte smaak van de onmacht. Waarom zegt ze nu niets,
zodat die oorverdovende stilte uit elkaar spat en hij
weer een stap verder geslingerd wordt? Want zó kunnen ze
hier toch niet eeuwig blijven staan, als een aan
elkaar gesmeed standbeeld van vlees en bloed en
ingehouden tranen, waarin slechts wat ongrijpbare
emoties bewegen?
En waarom zegt hij nu trouwens zélf ook niets, al was het
maar een woord dat geluidloos uit elkaar vloeit in de
dansende golven achter haar rug?
Is
afscheid nemen dan zó moeilijk?...
Ze
wisten toch beiden al bij het aanvangen van dit
kortstondige avontuur dat zij
|