|
.
Met een twijfelachtig gevoel van berusting en opstandigheid
kijkt hij haar spra- keloos aan. Ze staat zó dicht bij
hem dat hij zichzelf duidelijk weerspiegeld ziet in haar
enigszins schuinstaande, glanzende ogen. Het komt hem
voor dat hij in twee dicht bij elkaar geplaatste bolle
spiegeltjes kijkt. Doch, deze spiegeltjes léven; haar
irissen lijken zelfs een eigen hartslag te hebben. Meer
nog: het is alsof ze spreken, alsof ze hem
woorden toefluisteren die ze nu niet over haar zacht
trillende lippen kan krijgen.
Hij merkt in haar ogen dat zijn gelaat eruit ziet als een
gouden dodenmasker; een effect dat wellicht veroorzaakt
wordt door de zinkende zon, die – pal achter haar broze,
bijna vloeibare lichaam – tergend langzaam de zee in
brand steekt. Nog even, en dan zal dit onvergetelijke
moment voor eeuwig verdwijnen in een kleurloze
schemering. Dan is het heden – dit magische moment – nog
slechts een herinnering zonder huid. De pijn omdat ze
hem nu al weer voorgoed verlaat zal echter nog lang in
hem nabranden. Een vuur dat nooit helemaal helende
brandwonden op het omhulsel van de ziel nalaat. Pijn
wordt eigenlijk nooit herinnering. Jaren later hangt ze
nog altijd als een deken van prikkeldraad over je
gevoelens, of ze blijft op zijn minst aanvoelen als de
irriterende beet van een mug.
Zonder dat hij zich daar van
bewust is begint zijn neerbengelende rechterhand |