|
.
Het
moet nu zowat tien jaar geleden zijn dat mijn dochter
mij met een op- merkelijke glans in haar ogen één van
haar tot dan toe grootste geheimpjes toe- vertrouwde:
"Papa, ik heb een vriendje!"
Ik bekeek mijn kleine meid met opgetrokken wenkbrauwen
en voelde een guitige vertedering in mij naar binnen
vloeien. Ze was pas tien en leek nog meer op een
pluimgewichtje dat achter moeders rokken dwarrelt, dan
op een meisje dat rijp genoeg is om er al een vriendje
op na te houden. In haar grote ogen schitterde echter al
een smeulend vuur waarin een abstract pitje te zien was,
wat er op wees dat ze nu toch stilaan het stadium
naderde waarin een kikkervisje evolueert tot een kleine
kikker. En met dat ‘vriendje’ bedoelde ze uiteraard ook
nog niet het soort vriend waar zestienjarige
vroegbloeiers hun eerste duik in het amou- reuze moeras
mee ondergaan.
Het
knulletje dat haar vriendje moest voorstellen leek
trouwens nog zo een beetje op een in lengte uitgetrokken
baby. Hij was een halve kop kleiner dan mijn oogappel en
zijn linkermouw hing vol met snot. Ik glimlachte zoals
een vader glimlacht wanneer hij tot de vaststelling komt
dat er in zijn kind gevoelens aan het ontwikkelen zijn
waarin ma en pa niet meer de hoofdrol spelen. Ik wenste
mijn kleine hartenbreekster veel geluk met haar vriendje
en keek hen glim- lachend na, toen ze hand in hand
en krijsend van kindergeluk achter de speelbal
|